Lieve golven

Jaren terug stond er elke morgen een rood Opeltje langs het kanaal waar ik hardliep. Het autootje was van Aaltje. Zij zat daar dan in en tuurde naar het water.

Eén keer hebben we elkaar kort in de ogen gekeken, ik weet niet of ze me herkent heeft. Ik had moeten zwaaien, denk ik nu, haar iets van warmte moeten geven. Ik rende door.

Aaltje woonde in een klein appartement, twee wijken verder van mij. Een paar winters voordat we elkaar vluchtig aankeken, kwam ik daar eens als journalist over de vloer. Toen het interview voorbij was en ik mijn recorder uitzette, keek ze me ondeugend aan, en zei: ‘Ik moet je wat anders vertellen.’

Met een foto van het katje in haar hand, schoof ze naar het uiteinde van de bank.

Ze vertelde het in rap tempo: sinds ze ontdekt had dat alles met elkaar samenhangt, kon ze toveren. Het was volgens haar net als met de golven op het kanaal, individueel maar toch samen. De ene komt op en gaat onder in de andere. Ze kon daar invloed op uitoefenen, zei ze, en wist zo ziektes te genezen. Want ook dat zijn golven.

‘Ik zet de wetenschappelijke wereld op z’n kop,’ ze straalde van trots, ‘mijn ontdekkingen gaan de hele wereld over en worden in het geheim bestudeerd door professoren.’

‘God,’ zei ik, ‘dat is nog al wat.’

Dat vond ze zelf ook. Vanmorgen nog, zei ze, had ze een katje uit België van de kattenaids afgeholpen. ‘Kattenaids,’ herhaalde ik, ‘hoe doet u dat dan?’

Ze liet de foto zakken en keek me aan met ogen die me wel alles zouden willen vertellen, maar dat niet gingen doen.

Ze deed het voor. Met een foto van het katje in haar hand, schoof ze naar het uiteinde van de bank. Ze haalde diep adem, schraapte haar keel en staarde naar de foto.

‘Wat doet u nu?’

Ze zond positieve golven naar het diertje. Dat deed ze elke dag wel een paar keer. Ik stelde me voor hoe deze oude vrouw met haar zachte plooien in het gezicht iedere dag naar de hoek van de bank schoof en daar dacht aan mensen en dieren die ze niet kende maar beter gunde.

‘En uw kinderen,’ vroeg ik, ‘zijn ze ook een beetje trots?’

Ze liet de foto zakken en keek me aan met ogen die me wel alles zouden willen vertellen, maar dat niet gingen doen: ‘Daar wil ik het liever niet over hebben.’

Die middag vertrok ik met een van haar ongepubliceerde boeken in een snelhechter. Het mapje heeft tot de verhuizing op een boekenplank gelegen. Ik kon het niet weggooien, maar lezen evenmin.

Nu woon ik tegenover het kanaal en kijk ik vanuit mijn werkkamer uit over het water. Het rode autootje heb ik daar al een tijdje niet meer gezien.

Standaard