Theater

De man naast me blijft erbij: de hele stad is uitgelopen voor deze voorstelling. Wat mij betreft is de theaterzaal half leeg, maar hij luistert niet. Hij vindt het prachtig: de bezoekers, de zaal, het decor. Hij roept: ‘De stad laat zich zien vanavond!’.

Het is pauze. De acteurs hergroeperen en een nieuw decor wordt op z’n plaats geschoven. Ik blijf zitten in mijn stoel. Ik hoef niet naar de wc en het theatergezelschap deelt rode wijn uit.

‘Prachtig,’ zegt de man opnieuw. ‘Mijn studiemaatjes van vroeger zouden dit ook geweldig hebben gevonden. Ja, zeker.’

Het gebouw stond er nog precies zo, maar hij was al lang niet meer hetzelfde.

Het stuk doet hem denken aan de begindagen van dit theater. Hij was daarbij, zegt hij, als jonge rechtenstudent.

‘Het begon met een groep vrije lieden,’ zegt hij. ‘Tegenwoordig zou je een flink deel van die gasten lhbt’ers noemen, trouwens, mensen zoals jij.’

Het studentenhuis waaruit dit theater ontstond, staat er nog. Hij was er aan het begin van de avond langsgelopen. Iets van binnen had hem daartoe geroepen. Toen hij aan het eind van de middag zijn laatste vergadering had, dacht hij bijna nergens anders meer aan.

Het gebouw stond er nog precies zo, maar hij was al lang niet meer hetzelfde. ‘Dat is het vreemde met herinneringen,’ zegt hij. ‘Het is eerder alsof er twee gebouwen zijn.’

Maar nu heeft hij geld, een kantoor gespecialiseerd in internationaal recht en een herenhuis in Den Haag.

Hij slaat een arm over mijn rugleuning en vraagt of ik dat ook ken. ‘Ach, misschien ook niet,’ zegt hij, ‘misschien moet jij daarvoor nog een stukje verder van jouw tijd staan.’

‘Het was mooi,’ zei hij, ‘niemand nam zichzelf al te serieus en alles kon. We hadden niets te verliezen.’

Maar nu heeft hij geld, een kantoor gespecialiseerd in internationaal recht en een herenhuis in Den Haag. Hij was enkel toevallig in de stad omdat zijn werk hem hier bracht en nu wil hij niet meer terug.

Als de lichten dimmen voor het tweede deel, ligt zijn arm nog steeds over mijn rugleuning. ‘Ik heb een Italiaanse vrouw, maar die is al lang naar bed,’ zegt hij.

Standaard

Lieve golven

Jaren terug stond er elke morgen een rood Opeltje langs het kanaal waar ik hardliep. Het autootje was van Aaltje. Zij zat daar dan in en tuurde naar het water.

Eén keer hebben we elkaar kort in de ogen gekeken, ik weet niet of ze me herkent heeft. Ik had moeten zwaaien, denk ik nu, haar iets van warmte moeten geven. Ik rende door.

Aaltje woonde in een klein appartement, twee wijken verder van mij. Een paar winters voordat we elkaar vluchtig aankeken, kwam ik daar eens als journalist over de vloer. Toen het interview voorbij was en ik mijn recorder uitzette, keek ze me ondeugend aan, en zei: ‘Ik moet je wat anders vertellen.’

Met een foto van het katje in haar hand, schoof ze naar het uiteinde van de bank.

Ze vertelde het in rap tempo: sinds ze ontdekt had dat alles met elkaar samenhangt, kon ze toveren. Het was volgens haar net als met de golven op het kanaal, individueel maar toch samen. De ene komt op en gaat onder in de andere. Ze kon daar invloed op uitoefenen, zei ze, en wist zo ziektes te genezen. Want ook dat zijn golven.

‘Ik zet de wetenschappelijke wereld op z’n kop,’ ze straalde van trots, ‘mijn ontdekkingen gaan de hele wereld over en worden in het geheim bestudeerd door professoren.’

‘God,’ zei ik, ‘dat is nog al wat.’

Dat vond ze zelf ook. Vanmorgen nog, zei ze, had ze een katje uit België van de kattenaids afgeholpen. ‘Kattenaids,’ herhaalde ik, ‘hoe doet u dat dan?’

Ze liet de foto zakken en keek me aan met ogen die me wel alles zouden willen vertellen, maar dat niet gingen doen.

Ze deed het voor. Met een foto van het katje in haar hand, schoof ze naar het uiteinde van de bank. Ze haalde diep adem, schraapte haar keel en staarde naar de foto.

‘Wat doet u nu?’

Ze zond positieve golven naar het diertje. Dat deed ze elke dag wel een paar keer. Ik stelde me voor hoe deze oude vrouw met haar zachte plooien in het gezicht iedere dag naar de hoek van de bank schoof en daar dacht aan mensen en dieren die ze niet kende maar beter gunde.

‘En uw kinderen,’ vroeg ik, ‘zijn ze ook een beetje trots?’

Ze liet de foto zakken en keek me aan met ogen die me wel alles zouden willen vertellen, maar dat niet gingen doen: ‘Daar wil ik het liever niet over hebben.’

Die middag vertrok ik met een van haar ongepubliceerde boeken in een snelhechter. Het mapje heeft tot de verhuizing op een boekenplank gelegen. Ik kon het niet weggooien, maar lezen evenmin.

Nu woon ik tegenover het kanaal en kijk ik vanuit mijn werkkamer uit over het water. Het rode autootje heb ik daar al een tijdje niet meer gezien.

Standaard

Kwalletjes

Ergens in de afgelopen maanden ging hij naar bed als leuke jongen en werd hij wakker als gewone man. Zijn omgeving schikte zich ernaar en dat zat hem dwars. Misschien dat het daar al misging. We gaven elkaar een hand en glimlachten, beide zonder het te menen.

Ik zou het daarbij hebben gelaten, maar wij moesten het komende anderhalf uur samen doorbrengen in mijn lege huurwoning.

‘Dus jullie zijn verhuisd? Waar naartoe? Oh, weer deze wijk? Jullie wilden toch niet weg uit deze buurt?’

Oprecht nieuwsgierig, zonder twijfel. Toch waren zijn vragen kleine kwalletjes die door de lucht dreven.

Hij klom op mijn aanrecht, tikte tegen mijn muren, peuterde aan mijn loszittend latexverf

‘Hebben jullie wel eens problemen gehad in deze wijk? Er gebeurt hier zeker veel? Staat die scooter daar nu nog steeds?’

Hij klom op mijn aanrecht, tikte tegen mijn muren, peuterde aan mijn loszittend latexverf, sloot en opende mijn deuren, knipperde met mijn lampen. Hij mat alles en maakte aantekeningen. Ik beet op mijn lip.

‘Ach joh, waarom hebben jullie dit zó gelaten? Die tuin van jullie, waarom hebben jullie daar niets mee gedaan? Wie heeft dit zo in elkaar gezet? Wat een vreemde plek op de muur, hebben jullie een kat gehad? Verveel ik je?’

Ik kon niet wachten tot hij met zijn kwalletjes mijn huis verliet.

Standaard